Mbo'er studeert niet verder

30-09-2019

Mbo-studenten kiezen steeds vaker voor een baan in plaats van doorstuderen. Waar in 2010 nog 44 procent van de mbo’ers doorstudeerde, was dit aantal in 2018 gedaald naar 39 procent.

Dit blijkt uit de nieuwste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Door de vergrijzing en personeelstekorten zijn mbo’ers zeer gewild. Vooral in de bouw, techniek en zorg liggen de banen voor het oprapen. De vraag naar praktisch opgeleid personeel is groot, waardoor mbo’ers soms tijdens hun studietijd al worden benaderd voor een baan. Meisjes kiezen veelal voor een carrière in de zorg, jongens vaak voor een technisch beroep.

Een vervolgstudie in het hoger onderwijs is ook niet altijd nodig, omdat de werkvloer voldoende leer-mogelijkheden biedt. Daarnaast schrikt het leenstelsel mbo-studenten af om door te leren.

Ruggengraat

„Mbo’ers zijn de toekomstige ruggengraat van onze samenleving”, zei Hans de Boer, voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW een aantal weken geleden bij de opening van het mbo-jaar in Amersfoort. „Met hun praktische opleiding kunnen ze een heel goede boterham verdienen. Soms verdienen ze veel meer dan hoger opgeleiden.”

Nederland telt zo’n 436.000 mbo’ers – 230.000 jongens, 206.000 meisjes – en de banen liggen voor het oprapen voor de praktische mbo’er. „Na mijn mbo-studie automonteur kon ik direct aan de slag bij de garage waar ik ook mijn stage had gelopen”, vertelt de 19-jarige Jason Hintzen. „Lekker met mijn handen en met auto’s aan de slag. Dat wilde ik als kind altijd al.”

Beroepsgericht

Jason is een van de vele jongens die na een mbo-studie zijn kans op de arbeidsmarkt pakte. De meerderheid van de mbo-studenten bestaat uit mannen. Zij volgen vaker dan meisjes een opleiding op de lagere niveaus. Deze studies – op niveau 1 en 2 – zijn vooral beroepsgericht. Ze duren vaak een jaar en daarna kan de student gelijk ergens aan het werk.

Want voor een leuke en goedbetaalde baan hoef je niet per se naar het hoger onderwijs, vertelt Ton Heerts, voorzitter van de MBO Raad. „Het bedrijfsleven staat te springen om leergierige en handige mensen.”

Vooral in de techniek en in de bouw maken mbo’ers veel kans op werk. Volgens het CBS kiezen vooral jongens voor studies in de techniek. Op de lagere niveaus worden ze opgeleid tot bijvoorbeeld automonteur of stratenmaker, terwijl ze op de hogere niveaus vaker studeren voor leidinggevende functies, zoals bouwkundig opzichter.

Meisjes

De meisjes zijn vaker actief op de hogere niveaus van het mbo. Deze studies zijn theoretischer en duren vaak drie, maar soms ook vier jaar. Een afgeronde studie op niveau 4 geeft direct toegang tot het hoger onderwijs (hbo). Het theoretische onderwijs past volgens Heerts ook beter bij meisjes. „Zij doen het echt geweldig op het mbo. Je merkt dat jongens toch een voorkeur hebben voor de praktische kant van een vak. Zij leren over het algemeen meer bij een leerbedrijf met een praktijkopleider dan in een vol klaslokaal.”

De jongens halen hun hart op bij de opleidingen op niveau 1 en 2. „Daar werken ze lekker in de praktijk en leren ze alleen het broodnodige in de schoolbanken.” Om meer mannen op de hogere niveaus te krijgen, pleit Heerts dan ook voor nieuwe onderwijsvormen. „We moeten ervoor zorgen dat dit type onderwijs beter past bij praktijkgerichte jongens.”

Studies binnen de sector zorg & welzijn zijn het populairst onder meisjes. Op alle mbo-niveaus kiest ongeveer de helft van deze groep voor een studie in deze sector. „Door de vergrijzing is daar de komende jaren voldoende werk te vinden”, zegt Jurgen van der Hel, voorzitter van mbo-belangenorganisatie JOB. „Gelukkig kiezen ook steeds meer jongens voor de zorg.”

Zorg

De 22-jarige Britt van Veen koos ruim zes jaar geleden voor de mbo-opleiding Verpleegkunde. Deze rondde ze twee jaar geleden af en ze werkt nu in een ziekenhuis in Amsterdam. „Werken in de zorg is gewoon hartstikke leuk en natuurlijk belangrijk”, vertelt Britt. Het had weinig gescheeld of ze was iets totaal anders gaan doen. „Ik wilde nooit de verpleegkunde in, want ik dacht dat je dan alleen maar billen moest wassen”, vertelt ze lachend. Haar moeder moedigde haar aan om toch een bezoekje te brengen aan de open dag. Ze was direct verkocht: „Dat billen wassen bleek maar een klein onderdeel van het werk. Ik heb heel leuke en interessante dingen geleerd.”

Na haar studie solliciteerde Britt naar een baan in het ziekenhuis, waar ze het momenteel goed naar haar zin heeft. Ze doet een interne opleiding waardoor ze over een paar maanden kan werken met te vroeg geboren kinderen. „In het ziekenhuis zeiden ze dat ik nog te jong ben om dat werk te gaan doen. Dat heb ik uiteindelijk toch maar mooi voor elkaar gekregen”, vertelt ze trots.

Leermeester

Vaak combineren praktische mbo’ers leren en werken. „De werkvloer is dan ook de ideale leerschool”, vertelt automonteur Jason. Na zijn opleiding besloot hij om door te studeren om zijn autokennis te verdiepen. Werken en leren is iets wat hem op het lijf geschreven is. „Ooit hoop ik leermeester te worden, zodat ik andere stagiaires de kneepjes van het vak kan leren.”

De combinatie van werken en leren zal op het mbo steeds belangrijker worden, stelt Heerts. „Bedrijven en onderwijsinstellingen werken steeds intensiever samen. We staan aan de vooravond van een nieuwe vorm van mbo-onderwijs waarbij studenten beter op de beroepspraktijk worden voorbereid.” Zo ontstaan er in toenemende mate grote leer- en werkcentra waarbij mbo-jongeren het geleerde direct in praktijk brengen. Jurgen van der Hel onderstreept dat: „Mbo’ers zijn ontzettend gewild. Soms worden ze tijdens hun studie al benaderd door bedrijven die hen meteen aan zich willen binden.”

"’We staan aan de vooravond van een nieuwe vorm van mbo-onderwijs’" Dat ervoer ook de 21-jarige Bram van Berkum uit Gorinchem. Tijdens zijn mbo-opleiding ict-beheer werden studenten vaak gebeld door organisaties of ze daar aan de bak wilden. Zelf koos hij ervoor om zich te focussen op de ontwikkeling van zijn eigen onderneming. „Maar dat je halverwege je studie gewoon aan het werk kan, is redelijk uniek”, lacht hij.

Een paar maanden geleden haalde Bram zijn diploma en nu werkt hij fulltime aan zijn eigen bedrijf. Hij werkt als consultant en is ook webshopeigenaar. „Het is hard werken, maar de zaken gaan gelukkig goed”, zegt hij trots. Voorlopig zal hij niet meer in de studiebanken te vinden zijn. „Ik heb een geweldige baan, dus doorstuderen hoeft van mij dan ook niet.”

Doorstroomcijfers

De stijgende banenkans voor mbo’ers is terug te zien in de doorstroomcijfers naar het hoger onderwijs. Waar in 2010 nog 44 procent van de mbo’ers doorstudeerde, was dit aantal in 2018 gedaald naar 39 procent. „Afgestudeerde mbo-studenten komen vaak snel aan een goed betaalde baan. Dat heeft dan hun voorkeur, in plaats van geld moeten lenen voor een hbo-studie”, aldus Van der Hel.

Ton Heerts begrijpt de mbo’ers maar al te goed. „Niet iedereen heeft zin om nog eens vier jaar naar school te gaan. Soms overwegen mbo’ers dit wel, maar ze kiezen liever voor een combinatie van leren en werken.”

Ook oud-verpleegkundestudente Britt overwoog na afronding van haar studie om door te studeren. „Ik had interesse in een duale studie Verpleegkunde, waarbij leren en werken worden gecombineerd. Maar uiteindelijk vond ik dat gewoon te lang duren”, vertelt ze. „De lesstof had ook veel weg van wat ik al op het mbo had geleerd. Voor mij werkt het leren op de werkvloer gewoon veel beter.”

Twijfel

Automonteur Jason twijfelt nog of hij ooit begint aan een hbo-studie. „Als ik praktijkleraar wil worden is dat misschien wel nodig, maar ook zonder hbo-diploma red ik mij wel”, vertelt hij. Daarna lachend: „Voor een goede en leuke baan is een hoger diploma absoluut niet nodig.”

Bron: https://www.telegraaf.nl/nieuws/1396480961/mbo-er-studeert-niet-verder